Dikke liefde.

Thuis heb ik verteld dat ik een aantal maanden heerlijk alleen op reis zou gaan, maar stiekem loopt hij constant met mij mee. En om jullie eerlijk te vertellen: we zitten ondertussen toch echt in een relatie.
We hebben om te beginnen een enorm hechte band. We zijn onafscheidelijk. Op momenten dat ik wel alleen ben, maak ik me zorgen en mis ik hem.

Wel hebben we een klassieke haat-liefde verhouding. Er zijn poëtisch gezegd momenten dat we een symbiose aangaan met elkaar, maar andere momenten is er wrijving in onze relatie. Dan begin ik zelfs te schelden: “Godverdomme, gisteren zat alles nog goed en moet je ons nu eens zien!” Daar komt zelfs weleens fysiek geweld bij. Dan schop ik of stomp ik hem, maar hij doet mij ook zeer. Het is zoals ze zeggen: “Liefde die geen pijn doet is geen liefde.”

Gelukkig komt alles altijd goed en ‘s avonds kruip ik lekker tegen hem aan als we in mijn tentje liggen. Hij kreeg zelfs een koosnaampje: Gruwel.
We hebben onze ups en downs, maar ik kan eerlijk zeggen dat dit de beste relatie is die ik ooit heb gehad!

Het was dan ook liefde op het eerste gezicht. Vanaf het moment dat ik je in de Bever winkel zag hangen tussen al die andere tassen wist ik: “Jij bent van mij.”

Advertisements

Sommige vragen krijgen nooit een antwoord.

Opeens was hij daar. Geheel onverwachts. Ik liep alleen. Hij dook op toen ik op de weg richting de berg liep. Ik dacht na over de laatste keer dat ik hem gezien had.

Het was 3 jaar geleden. Mijn laatste gesprek met hem. Ik vroeg om een moment alleen met hem, om alles te zeggen wat ik nog kon. Daar lag hij. Ogen dicht, ingevallen gezicht, ademend, maar stervende. Het gevecht was over. Dat wist hij, ik voelde het. Ik zat naast hem, alleen. Minuut na minuut verstreek. We zeiden beide niets. Hij kon het niet en ik wist niet waar te beginnen. Het bleef stil.
Niet in mijn hoofd. Daar was de storm. Allerlei vragen en ‘wat als’ momenten. Waarom, waarom, waarom. Ik vroeg niks, want het was te laat. We waren lang alleen, geen idee hoe lang, en ik voelde dat ik afscheid moest nemen. Nu. Ik boog me naar hem toe en fluisterde in zijn linkeroor: “Ik vergeef je.”

En nu, was hij hier. In gevoel en gedachten. De storm was er ook. Ik ging het gesprek aan en vroeg om hulp. Want vandaag moet ik een belangrijke keuze maken. Vandaag kom ik op de langverwachte kruising. Links of rechts. Barcelona of Santiago. “Dus wil je toch nog iets goed doen, geef me dan een teken.”

Ik beklom de hoge berg na Pamplona. Een warme lange klim. Van alles bedacht en gevoeld, mijn focus op de keuze. Denkend aan de keuze. Ik besloot dat het denken nu wel klaar was, tijd om te luisteren naar het gevoel. Het werd een emotionele dag.

Op de berg aangekomen, met een uitzicht over heel de wereld, brak ik. De tranen kwamen als een waterval bovenop de berg. Ik liet ze vloeien. Verdriet, trots, bevrijding. Achter me het zicht tot Nederland en alles wat ik had doorstaan en voor me het blik op een geheel nieuwe wereld, met zicht tot het einde van de wereld. Nu wist ik, vandaag hoef ik niet meer te denken, maar alleen te voelen. Ervaar je keuze.

Zo begon ik de afdaling. Op naar de splitsing. Deze lag op een pleintje in het dorpje Obanos. Totaal leeg kwam ik daar aan. Stilte. Niemand op straat en geen storm. Ik deed mijn rugzak af, ging bij de fontein in de zon liggen, nam een diepe zucht en sloot mijn ogen. Voel, denk, voel, denk, Barcelona, Santiago, links, rechts, voel, denk, voel, voel, voel. Niks.
Een munt opwerpen dan maar. Ik open langzaam mijn ogen. En zie de helderblauwe hemel. In die blauwe zee staat een heel groot kruis afgetekend. Duidelijk.
Ik besluit toch een munt op te werpen. Munt en het maakt me heel blij. Duidelijk.
Wanneer ik mijn backpack om wil doen, komen er twee figuren uit de richting van de route naar Barcelona gelopen. Het zijn mijn 2 camino vrienden. Deze kant moet je niet op, zeggen ze. Duidelijk.

Ze vertellen me over de berg en hun ervaringen. Ik leer dat dit, ‘Alto de Perdon’, het punt van vergiffenis is. Alles is in een klap heel helder. Want ik zei, ik vergeef het je, omdat je dat wilde horen, niet omdat ik het zo voelde. Dus de tranen op de berg waren ook voor jou. En na deze dag leer ik dat je er toch ook voor mij bent en durf ik eindelijk eens te zeggen: “Bedankt, pap.”