Afscheid van een vriend.

Er zit wat tijd tussen deze en mijn laatste blog. Toch heb ik niet stilgezeten. Of eigenlijk juist wel. Ik heb namelijk een maand in Santiago de Compostela vertoeft. Waarom? Waarom niet.

Nu moet ik zeggen dat de eerste ontmoeting met Santiago niet goed voelde. Ik moest namelijk elke dag afscheid nemen van een vriend. En ik begon eraan te twijfelen of ik nu hier moest blijven of niet.
Maar een eerste indruk van iemand kan zo anders zijn dan de werkelijkheid, want toen ik terugkwam van Fisterra, begroette Santiago me als een goede vriend.

Binnen een dag vond ik een hostel waar ik als vrijwilliger aan de slag kon. Gratis onderdak en gratis eten, wat wil een reiziger nog meer?
Voor het eerst sinds 1,5 maand had ik een eigen kamer. Geen snurkers, geen constante zweetlucht en geen “crazy people” die om 5 uur opstaan om met zoveel mogelijk kabaal in te pakken en te gaan lopen. Eindelijk goede nachtrust, wat een verademing.

Het was een kleine zolderkamer, maar het was een huis. Het voelde al snel als een thuis. En elke dag had ik nieuwe mensen op bezoek. Ze leerde me gitaarspelen, en andere talen. Ze leerde me jongleren en over exotische plekken. Ik leerde over mijn Chinese horoscoop. Ik ben een slang geboren in het uur van de rat. Wat me tot een gecompliceerd persoon maakt. (Dat verklaart een hoop!)

We hadden lol en vele emoties. De gasten nam ik mee naar de leukste plekjes, want Santiago had me verteld waar te gaan. Ik leerde vrienden maken en begon zelfs met daten, aangezien Santiago me had geleerd om de liefde weer toe te laten. De straten werden bekenden voor me en de muziek deed me dansen. Santiago en ik waren zo innig met elkaar.
Hij verveelde me nooit. Steeds weer nieuwe verhalen, nieuwe avonturen, nieuwe vrienden. Helaas was op een dag het onvermijdelijke daar. Afscheid. En dat deed pijn. Want Santiago gaf me vrienden, een familie, een thuis.
Gelukkig zal hij nooit verhuizen en zoek ik je graag nog eens op. Bedankt mijn goede vrind, tot ooit.

Advertisements

Blue is definitely not yellow.

So that happend. There is a first time for everything they say, but I was convinced it wouldn’t happen to me. Yeah, maybe, one day, but certainly not on the camino. But today it did happen. I got completamente perdido (lost).

Offcourse there have been times before where I couldn’t find my way, but I was never really lost. Except for that time in the Louvre. That is where I learned the valuable lesson: as soon as you no longer have any Asian people in your hallway, you are wandering off too far and you will get lost. 

Today I didn’t see any Asians or any other kind of people for that matter. I was in the wild. High up in the mountains. Lost. Some people might think to themselves: “But you are walking the Camino, so don’t they have roadsigns? 

Damn right about that, only just today they didn’t. It has everything to do with the fact that I am walking in the other direction. I am walking 90 km back the way I came. Normally I am not a big fan of walking back, but there is a first time for everything. In this case walking back means I have to follow blue arrows, after weeks of following yellow ones. And it just doesn’t feel quite right. Obviously I am still in my transitionphase. Added to that is the fact that for every 10 yellow arrows they have placed, they threw a needle in the haystack when it comes to blue markers. 

It is obvious I missed that needle, because suddenly I am on the other side of the mountain than I should be. But I decided to move on. The scenery is so nice and besides I am still walking in the same direction. WRONG! At the end of the afternoon I am still walking through the mountains and it turns out to be a completly different mountain all together. They should have made these mountains more distinct. 

However. Found a way down and asked in the village in the valley where the hell I am. Luckely I was only 2km away from the official path. Again WRONG! Because if there is something I’ve learned in Spain, they have no knowledge what so ever about numbers and distances. Still waiting for the marker wich will tell me I am only 100km away from Santiago. That’s something you surely would expect ever walking for 700km, but nooo, they give you a marker with 99,930. But whatever. 

Walking another 5km took me back to the trail. After a massive detour I resume my route and get into my “walkingzone”, till after 5 minutes, when I realize that I am following the yellow markes in stead of those blue bitches. 

At this stage I would like to blame all the other pelgrims who walked with me. They made this yellow route way to pleasant and easy and at the end they all left me in Santiago. They ditched me and now I have to do everything on my own again. I am no longer used to that and the yellow feels so familiar. But no, blue it is from now on. But blue is just not yellow. Blue will take me back to Santiago (hopefully). Where I will arrive on my birthday. And there I will buy myself the best Santiago cake ever. The best part about walking alone again? I don’t have to share the cake!

Blauw is zeker geen geel.

En toen gebeurde het. Voor alles is een eerste keer zeggen ze, maar ik was ervan overtuigd dat het me niet zou gebeuren. Ja, wel ooit een keer, maar niet op de Camino. Vandaag was het dan eindelijk zover. Ik raakte compleet perdido (verdwaald). 

Nu was ik hier en daar natuurlijk weleens de weg kwijt geraakt, maar echt verdwaald was ik nog nooit. Op die ene keer in het Louvre na dan. Daar heb ik geleerd, dat zodra je weinig tot geen Aziaten meer in je pad ziet, dan dwaal je te ver af en raak je zoek. 

Vandaag totaal geen Aziaat gezien, of welk soort mens dan ook. Ik was totaal in de wildernis. Hoog in de bergen. Verdwaald. Nu zullen veel mensen misschien denken: “Maar je loopt toch op de Camino, dan hebben ze toch wegwijzers?” 

Klopt als een bus, alleen vandaag even niet. En dat heeft te maken met het feit dat ik de route de andere kant op loop. Ik loop zo’n 90 km terug. Normaal ben ik geen fan van teruglopen, maarja voor alles is een eerste keer. Dit teruglopen houdt in dat ik na weken van gele pijlen volgen ik nu ineens blauwe pijlen volg. En dat voelt nog niet zo lekker. Ik zit duidelijk nog in de overgangsfase. Daarbij is het zo dat voor elke 10 gele pijlen die ze geplaatst hebben, ze een naald in de hooiberg hebben gegooid als het aankomt op blauwe markers. 

Die naald heb ik duidelijk over het hoofd gezien, want ineens bevind ik me aan de andere kant van de berg dan op de heenweg. Maar ik besluit door te lopen, want het is een mooie route en ik ga nog steeds dezelfde richting op. FOUT! Aan het einde van de middag loop ik nog steeds in de bergen en blijkt het zelfs een heel andere berg te zijn dan ik dacht. Ze hadden die bergen ook wel iets anders mogen maken, nu lijken ze teveel op elkaar. 

Enfin, een weg naar beneden gevonden en in het dorp in de vallei gevraagd waar ik nu eigenlijk was. Gelukkig bleek ik maar 2 km van het pad verwijderd te zijn. Weer FOUT. Want als ik iets heb geleerd in Spanje is het wel dat ze totaal geen kennis hebben als het aankomt op cijfers en afstanden. Ik wacht namelijk nog steeds op de kolom waarop staat dat je nog maar 100km verwijderd bent van Santiago. Iets wat je na 700km lopen toch wel mag verwachten, maar nee dit was een 99,930 marker. Maar dat terzijde. 

 Na 5km gelopen te hebben zie ik eindelijk de richtingaanwijzers weer. Na een enorme omweg ben ik weer op de route en zit ik meteen weer in mijn “loopzone”, totdat ik na 5 minuten bedacht dat ik niet de blauwe maar de gele krengen aan het volgen was. 

Hierbij geef ik de schuld aan alle andere pelgrims waarmee ik samen de route heb afgelegd. Zij hebben me het namelijk zo aangenaam en makkelijk gemaakt om dit deel van mijn reis te doen, om me vervolgens in Santiago en Fisterra te laten stikken. Ze lieten me allemaal achter en nu moet ik alles weer alleen doen. Dat ben ik gewoon niet meer gewend en dat geel voelt gewoon zo vertrouwd. Maar nee, blauw, daar moet ik het mee doen. En blauw is gewoon geen geel. Blauw brengt me terug naar Santiago (hopelijk). Waar ik op mijn verjaardag zal aankomen. En dan zal ik mezelf trakteren op de lekkerste Santiago taart die ik vinden kan. Het mooie van dat ik nu weer alleen loop? De hele taart is voor Bassie.

Fisterra.

Terwijl de golven langzaamaan het einde van de wereld wegspoelen giet ik drie angstaanjagende kreten over hen heen.
Heel poëtisch allemaal, maar de 4 pelgrims die op dat moment naast me staan glijden van schrik de afgrond in. Oké, dat zou te poëtisch zijn. Maar ze schrokken wel. Want zij dachten namelijk dat ik niet praten kon.

En dat was ook zo. Aangekomen in Fisterra (letterlijk: einde van de wereld) besluit ik eens te reflecteren. Want over 7 dagen is het precies een half jaar geleden dat ik vertrok van huis. Om deze 6 maanden af te sluiten besluit ik om een reiniging van lichaam en geest te doen door middel van vasten en niet praten.
Dit besluit komt niet zomaar, want deze plek is waar de pelgrims heen liepen om herboren te worden. Hier verbrandden zij alles wat ze hadden en liepen als herboren de weg weer naar huis terug. Als bewijs voor het aandoen van deze mooie plaats namen zij een Sint-Jakobsschelp mee van het strand aan het einde van de wereld.

De eerste dag is het moeilijkst. In stilte moet ik afscheid nemen van mijn twee laatste metgezellen op deze camino. Vanaf nu ben ik weer helemaal alleen. Wat het stil zijn en vasten eigenlijk heel makkelijk maakt. Want ik spendeer mijn tijd gewoon lekker op het strand in de zon. En de momenten dat ik toch communiceren moet gaan een stuk makkelijker nu ik niet hoef te stamelen in het Spaans, maar met een paar handgebaren duidelijk kan maken wat ik wil.

De derde dag check ik in bij een andere herberg, waar de hospitalera mij meteen begreep en zei: “Oh, je leeft even in stilte.” En ze nodigt me uit voor een meditatiesessie. Ze wilde mediteren nu er een nieuwe maan aankwam en genieten van die energie. Dat leek mij eigenlijk wel een geweldig idee.
Na de sessie voelde ik me uitgerust en kalm. Ik voelde dat het goed was. Klaar om te vertrekken.

Dus op mijn lege maag liep ik de 2,5 km naar de kaap. Om daar in de zonsondergang met alle kracht mijn reinigingsperiode af te sluiten. Na 72 uur van stilte en zonder eten was het verdomd heerlijk om van die rotsen af te schreeuwen.

De volgende dag begin ik mijn reis, op naar Barcelona. Tijdens mijn dagen in Fisterra heb ik geen tijd genomen om te zoeken naar een schelp. En ik besluit dat het ook niet nodig is. Mijn eerste idee was natuurlijk om een heel bijzondere en perfecte schelp te vinden. Maar ik heb daar gewoon niet meer aan gedacht. Terwijl ik mijn eerste stappen op het pad zet denk ik: ach die schelp is niet belangrijk, want ik weet dat ik hier was. Voordat ik deze plek echt vaarwel zeg, loop ik nog een keer het strand op en geniet nog even van de zon. Wanneer ik naar beneden kijk ligt daar een Jakobsschelp. Helemaal alleen. Omringd door enkel zand. Dit is duidelijk die van mij en ik neem hem mee. En als herboren verlaat ik Fisterra. Te voet, zoals het hoort.

Falling, but hard.

From the moment I see him my hart makes a little jump. Immediatly I tell it, wow, hold your horses. And I start to slip.

A last walk through the city, altough his hart doesn’t live here, he does have mine. He takes me into the night searching for ghosts that haunt the city, because he doesn’t know my head is already haunted by thoughts. Last stroll, last time, last laugh, last change. This moment needs the honesty.

We sit. He looks at me and asks me: “What are you thinking about?” I smile: “Nothing.” He smiles back. I fall. He doesn’t know how dangerous that question really is. That’s because I say nothing, like I always do.

Time is moving slowly and I am enjoying his company. I’m thinking about the promise. I told myself to tell him the truth before I leave this city. A promise in which I lie to myself saying his reaction doesn’t matter. That I was sent here to be honest about my feelings. My lesson: your feelings just are. They are here so you could express them. No, they are here so you can express them.

Then why is it so hard? Damn universe with you stupid games and wise lessons. I was searching for the perfect moment, knowing all to well that moment will never come. I see him as a friend, but also as the wonderful guy he really is. And I want to lose neither of them. He is waiting, I am waiting. He is looking, I am falling.

I have to take this change and tell him how I am feeling. No time to be frightened anymore. I didn’t come all this way, over 2000km just to back down and be scared to be honest. But I’m not steady, because I am falling so hard.

It’s getting late and he walks me back to my hostel. At the door he leans against the wall. The storm returns.
He is waiting. Shit, he is waiting. Damn it, he already knows. That’s impossible. Yes, but I am sure, I see it. He is waiting. Look at him. I see it in his eyes. He knows what you HAVE to say. He is waiting, waiting, waiting. Just tell him. He already knows. Those bright blue eyes reach your soul. I am falling. I fall. I fall without safety net and all the consequences that will entail.

“I think I am falling for you.”

And I hit the ground. The clock strikes one. I told him. When I’m safe in my room and lay myself to bed I start to laugh. The massive old chains around my hart broke. I take a deep breath.
Love, you are welcome once more.

Vallen, maar dan hard.

Op het eerste moment dat ik hem zie maakt mijn hart een sprongetje. En meteen zeg ik ho, wat ga jij nou opeens doen? En de val begint.

Een laatste wandeling door zijn stad, al ligt zijn hart hier niet, die van mij heeft hij wel. Hij neemt me mee de nacht in op zoek naar de spoken van deze stad, want hij weet niet dat het al zo spookt in mijn hoofd. Laatste wandeling, laatste keer, laatste lach, laatste kans. Deze keer is het tijd om eerlijk te zijn.

We zitten. Hij kijkt me aan en vraagt: “Waar denk je aan?” Ik lach: “niets.” Hij lacht terug. Ik val. Hij weet namelijk niet hoe gevaarlijk die vraag op dat moment is. En dat komt omdat ik niets zeg. Zoals ik dat altijd doe.

De tijd verstrijkt langzaam en ik geniet van zijn aanwezigheid. Ik denk aan de belofte. Ik heb mezelf beloofd dat voordat ik deze stad verlaat ik het tegen hem gezegd heb. Een belofte waarin ik tegen mezelf lieg en zeg dat zijn reactie niet belangrijk is. Dat ik hierheen ben gestuurd om eerlijk te zijn over mijn gevoel. Mijn les is: je gevoel is wat is. Het is hier zodat je het uiten kan. Nee, dat je het uiten mag.Waarom blijft het dan zo moeilijk. Verdomde universum met je spelletjes en wijze lessen. Ik zocht naar het perfecte moment, terwijl ik nu toch dondersgoed weet dat dat moment nooit komen gaat. Ik zie hem als een vriend, maar ook als de geweldige jongeman die hij is. En geen van beide wil ik kwijtraken. Hij wacht, ik wacht. Hij kijkt, ik val. 

Toch moet ik deze kans nemen en gewoon zeggen wat ik voel. Geen bange schijterd meer zijn. Ik ben toch niet voor niets zo ver gekomen om dan na 2000km niet eens eerlijk te durven zijn over mijn gevoel. Maar ik sta gewoon wankel, want ik val zo snel. 

Het is laat en hij brengt me terug naar mijn herberg. Bij de deur leunt hij tegen de muur. De storm is terug. 

Hij wacht. Shit, hij wacht. Verdomme, hij weet het al. Dat is onmogelijk. Ja, maar ik zie het toch. Hij wacht. Kijk naar hem, ik zie het in zijn ogen. Hij weet wat je zeggen moet. Hij wacht, hij wacht, hij wacht. Zeg het dan gewoon. Hij weet het al. Die blauwe ogen priemen in je ziel. Ik val. Ik val. Ik val zonder vangnet en met alle gevolgen van dien. 

“Ik geloof dat ik voor je val.” 

En ik raak de grond. De klok slaat 1. Ik heb het gezegd. Wanneer ik veilig in mijn kamer ben en mezelf in bed leg, begin ik te lachen. Ik voel hoe het enorme slot losschiet van mijn hart. Ik haal diep adem. 

Liefde, je bent weer welkom.

Dikke liefde.

Thuis heb ik verteld dat ik een aantal maanden heerlijk alleen op reis zou gaan, maar stiekem loopt hij constant met mij mee. En om jullie eerlijk te vertellen: we zitten ondertussen toch echt in een relatie.
We hebben om te beginnen een enorm hechte band. We zijn onafscheidelijk. Op momenten dat ik wel alleen ben, maak ik me zorgen en mis ik hem.

Wel hebben we een klassieke haat-liefde verhouding. Er zijn poëtisch gezegd momenten dat we een symbiose aangaan met elkaar, maar andere momenten is er wrijving in onze relatie. Dan begin ik zelfs te schelden: “Godverdomme, gisteren zat alles nog goed en moet je ons nu eens zien!” Daar komt zelfs weleens fysiek geweld bij. Dan schop ik of stomp ik hem, maar hij doet mij ook zeer. Het is zoals ze zeggen: “Liefde die geen pijn doet is geen liefde.”

Gelukkig komt alles altijd goed en ‘s avonds kruip ik lekker tegen hem aan als we in mijn tentje liggen. Hij kreeg zelfs een koosnaampje: Gruwel.
We hebben onze ups en downs, maar ik kan eerlijk zeggen dat dit de beste relatie is die ik ooit heb gehad!

Het was dan ook liefde op het eerste gezicht. Vanaf het moment dat ik je in de Bever winkel zag hangen tussen al die andere tassen wist ik: “Jij bent van mij.”

Sommige vragen krijgen nooit een antwoord.

Opeens was hij daar. Geheel onverwachts. Ik liep alleen. Hij dook op toen ik op de weg richting de berg liep. Ik dacht na over de laatste keer dat ik hem gezien had.

Het was 3 jaar geleden. Mijn laatste gesprek met hem. Ik vroeg om een moment alleen met hem, om alles te zeggen wat ik nog kon. Daar lag hij. Ogen dicht, ingevallen gezicht, ademend, maar stervende. Het gevecht was over. Dat wist hij, ik voelde het. Ik zat naast hem, alleen. Minuut na minuut verstreek. We zeiden beide niets. Hij kon het niet en ik wist niet waar te beginnen. Het bleef stil.
Niet in mijn hoofd. Daar was de storm. Allerlei vragen en ‘wat als’ momenten. Waarom, waarom, waarom. Ik vroeg niks, want het was te laat. We waren lang alleen, geen idee hoe lang, en ik voelde dat ik afscheid moest nemen. Nu. Ik boog me naar hem toe en fluisterde in zijn linkeroor: “Ik vergeef je.”

En nu, was hij hier. In gevoel en gedachten. De storm was er ook. Ik ging het gesprek aan en vroeg om hulp. Want vandaag moet ik een belangrijke keuze maken. Vandaag kom ik op de langverwachte kruising. Links of rechts. Barcelona of Santiago. “Dus wil je toch nog iets goed doen, geef me dan een teken.”

Ik beklom de hoge berg na Pamplona. Een warme lange klim. Van alles bedacht en gevoeld, mijn focus op de keuze. Denkend aan de keuze. Ik besloot dat het denken nu wel klaar was, tijd om te luisteren naar het gevoel. Het werd een emotionele dag.

Op de berg aangekomen, met een uitzicht over heel de wereld, brak ik. De tranen kwamen als een waterval bovenop de berg. Ik liet ze vloeien. Verdriet, trots, bevrijding. Achter me het zicht tot Nederland en alles wat ik had doorstaan en voor me het blik op een geheel nieuwe wereld, met zicht tot het einde van de wereld. Nu wist ik, vandaag hoef ik niet meer te denken, maar alleen te voelen. Ervaar je keuze.

Zo begon ik de afdaling. Op naar de splitsing. Deze lag op een pleintje in het dorpje Obanos. Totaal leeg kwam ik daar aan. Stilte. Niemand op straat en geen storm. Ik deed mijn rugzak af, ging bij de fontein in de zon liggen, nam een diepe zucht en sloot mijn ogen. Voel, denk, voel, denk, Barcelona, Santiago, links, rechts, voel, denk, voel, voel, voel. Niks.
Een munt opwerpen dan maar. Ik open langzaam mijn ogen. En zie de helderblauwe hemel. In die blauwe zee staat een heel groot kruis afgetekend. Duidelijk.
Ik besluit toch een munt op te werpen. Munt en het maakt me heel blij. Duidelijk.
Wanneer ik mijn backpack om wil doen, komen er twee figuren uit de richting van de route naar Barcelona gelopen. Het zijn mijn 2 camino vrienden. Deze kant moet je niet op, zeggen ze. Duidelijk.

Ze vertellen me over de berg en hun ervaringen. Ik leer dat dit, ‘Alto de Perdon’, het punt van vergiffenis is. Alles is in een klap heel helder. Want ik zei, ik vergeef het je, omdat je dat wilde horen, niet omdat ik het zo voelde. Dus de tranen op de berg waren ook voor jou. En na deze dag leer ik dat je er toch ook voor mij bent en durf ik eindelijk eens te zeggen: “Bedankt, pap.”

Race naar de top.

Om 9.00 begon ik dan aan de volgens de routebeschrijving 7 uur durende wandelroute naar de top van de bergen. Van Frankrijk naar Spanje.

Na het eerste halfuur in de zeikende regen gelopen te hebben kom ik mijn eerste medepelgrims tegen. Want na maanden alleen te lopen zal ik tijdens deze etappe dan eindelijk andere gekken ontmoeten. Vandaag zal ik met iemand samen kunnen lopen. Maar het blijken slakken en ik besluit ze in te halen. In mijn hoofd schreeuwt de zin: “Laatste op de top is een homo!”

Om 10.00 uur, na een uur marcheren, kom ik twee Japanse jongens tegen. Ze zijn zojuist gestopt om iets te eten. Ze zijn dan al vanaf 7.00 uur aan het lopen. Ik heb nog geen honger en ik besluit ze achter te laten. (Laatste op de top is een homo!)

Na deze ontmoeting maak ik me geen zorgen meer of ik de top kan halen in een dag of niet. Want precies om 11.00 loop ik Valcarlos binnen. Eindelijk in Spanje!
Dit is het laatste punt waar je kan slapen, vanuit hier gaat de route alsmaar omhoog de echte bergen in. Volgende stop is Roncevalles. Het eindpunt van deze route.
In een cafeetje dat ik passeer zie ik een vijftal wandelaars zitten. Ik denk er geen moment aan om daar te rusten of op te drogen, want natgeregend zijn we toch al. Dus ik zet door. Sowieso is de laatste op de top een homo!

Ik blijf pelgrims passeren en probeer met sommige van hen samen te lopen. Wanneer ik dan na een paar minuten achter me kijk, zijn ze al weer uit mijn zicht verdwenen. Door de wekenlange training heb ik nu een snelle wandelpas en heeft de zware regenval geen invloed meer op mijn humeur.

Bovendien heb ik veel te veel lol in deze etappe, al ben ik totaal doorweekt en beginnen mijn handen te bevriezen, ik zet door. Dan pas komt de echte uitdaging van deze route. De weg wordt steiler en de omgeving witter. Sneeuw. Maagdelijk sneeuw. Alles wordt wit en de route is weg. Met sneeuw tot aan de knieën maak ik een spoor. Scenes van tv programma’s als ‘I shouldn’t be alive’ flitsen voorbij. Maar ik loop door en door en door. En denk aan al die mensen die dit straks nog moeten doen, want uiteindelijk was niet de laatste maar de eerste op de top een homo.